Korte samenvatting:
Zijn vrouw is voor zijn ogen verkracht en vermoord door negers. Zijn
haat voor negers zoekt en vindt een uitlaatklep in een wel heel
speciale reis…
Fragment:
Ik was samen met mijn vrouw, Marissa, naar een feestje bij vrienden
geweest en omdat we allebei teveel gedronken hadden om nog te kunnen
rijden, besloten we lopend terug naar huis te gaan. We waren nog maar
twee blokken van ons huis verwijderd toen ik het onbehaaglijke gevoel
kreeg gevolgd te worden. Vlug wierp ik een blik over mijn schouder,
maar er was niemand te zien. Marissa had niets in de gaten. Ik denk dat
ze simpelweg te dronken was. Ze liep te zwaaien op haar benen en kreeg
zo nu en dan een onbedaarlijke lachbui waarmee ze mij aanstak.
‘Ik heb zo’n zin in seks,’ hikte ze tussen twee lachbuien door, ‘Als we straks thuis zijn ruk ik de kleren van je lijf.’ Ze sloeg haar armen om mijn nek en belette me verder te lopen. Haar ogen glinsterden ondeugend. Ze kuste me op mijn mond, terwijl ze een hand naar mijn kruis liet afdalen. Zachtjes knedend bezorgde ze me een stijve, terwijl ik haar woest terugkuste en met mijn handen naar haar kont en borsten graaide.
Marissa brak onze kus af en leunde grinnikend achterover. ‘Stoute jongen,’ bestrafte ze me. ‘Het is niet netjes om een dame in het openbaar onzedelijk te betasten. Ik denk dat we –’ Ineens stopte ze. Haar ogen werden groot. Ze waren niet langer op mij gericht, maar op iets dat zich achter me bevond.
Vliegensvlug draaide ik me om en kwam oog in oog te staan met vier jongemannen van Afrikaanse afkomst. Hun gezichten waren grotendeels verscholen achter rode zakdoeken en honkbalpetten. De grootste had een pistool dat hij met griezelige kilheid op mijn hoofd gericht hield. Ik opende mijn mond om te vragen wat ze van ons moesten, maar kreeg niet de kans om ook maar iets te zeggen.
‘Kop dicht en meekomen!’ snauwde de jongen met het pistool.
Gedwee liepen we mee. We konden niet anders, al had ik de jongens liefst een voor een op hun bek geslagen. Maar ik wilde ze geen reden geven om Marissa iets aan te doen. Op dat moment verkeerde ik nog in de veronderstelling dat ze het op ons geld of onze pincodes voorzien hadden. Ik dacht dat ze ons na beroving wel zouden laten lopen. Niets was minder waar.
In het naburige park hielden we halt. Ik moest op de grond knielen, terwijl Marissa voor mijn ogen werd verkracht en in koelen bloede vermoord. Zelf werd ik enkel door een kogel in mijn been geraakt. Waarom de jongens op de vlucht sloegen zonder het karwei af te maken weet ik niet. In ieder geval zijn zij de reden dat ik de schurft aan negers heb.
‘Ik heb zo’n zin in seks,’ hikte ze tussen twee lachbuien door, ‘Als we straks thuis zijn ruk ik de kleren van je lijf.’ Ze sloeg haar armen om mijn nek en belette me verder te lopen. Haar ogen glinsterden ondeugend. Ze kuste me op mijn mond, terwijl ze een hand naar mijn kruis liet afdalen. Zachtjes knedend bezorgde ze me een stijve, terwijl ik haar woest terugkuste en met mijn handen naar haar kont en borsten graaide.
Marissa brak onze kus af en leunde grinnikend achterover. ‘Stoute jongen,’ bestrafte ze me. ‘Het is niet netjes om een dame in het openbaar onzedelijk te betasten. Ik denk dat we –’ Ineens stopte ze. Haar ogen werden groot. Ze waren niet langer op mij gericht, maar op iets dat zich achter me bevond.
Vliegensvlug draaide ik me om en kwam oog in oog te staan met vier jongemannen van Afrikaanse afkomst. Hun gezichten waren grotendeels verscholen achter rode zakdoeken en honkbalpetten. De grootste had een pistool dat hij met griezelige kilheid op mijn hoofd gericht hield. Ik opende mijn mond om te vragen wat ze van ons moesten, maar kreeg niet de kans om ook maar iets te zeggen.
‘Kop dicht en meekomen!’ snauwde de jongen met het pistool.
Gedwee liepen we mee. We konden niet anders, al had ik de jongens liefst een voor een op hun bek geslagen. Maar ik wilde ze geen reden geven om Marissa iets aan te doen. Op dat moment verkeerde ik nog in de veronderstelling dat ze het op ons geld of onze pincodes voorzien hadden. Ik dacht dat ze ons na beroving wel zouden laten lopen. Niets was minder waar.
In het naburige park hielden we halt. Ik moest op de grond knielen, terwijl Marissa voor mijn ogen werd verkracht en in koelen bloede vermoord. Zelf werd ik enkel door een kogel in mijn been geraakt. Waarom de jongens op de vlucht sloegen zonder het karwei af te maken weet ik niet. In ieder geval zijn zij de reden dat ik de schurft aan negers heb.


